De zomertijd zoals je hem nu kent — elke laatste zondag van maart een uur vooruit, elke laatste zondag van oktober een uur terug — bestaat in deze vorm sinds 1996, toen de Europese Unie de data harmoniseerde. Het idee zelf is veel ouder. En de praktijk, in Nederland en België, is een stuk grilliger geweest dan veel mensen denken. Tussen het eerste decreet in 1916 en het huidige EU-ritme zit een eeuw van oorlogen, bezetting, energiebesparingsplannen en politiek getouwtrek.

Wat opvalt aan die geschiedenis: bijna elke fase waarin de klok verzet werd, viel samen met een crisis. Een wereldoorlog. Een Duitse bezetting. Een oliecrisis. Pas in de jaren tachtig kreeg de zomertijd in West-Europa een routineus karakter, en pas in de jaren negentig werden de data identiek voor alle lidstaten. Tot dan toe was het samenraapsel aan nationale regels zo verwarrend dat reizigers er treinen door misten.