Een halve eeuw klokverzetting
Op zondag 3 april 1977 om 02:00 uur 's nachts zette Nederland voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog opnieuw de klok vooruit. De oliecrisis van 1973 zat nog vers in het collectieve geheugen, en zomertijd leek een goedkope manier om energie te besparen — door 's avonds langer daglicht zou er minder verlichting nodig zijn. Op zondag 25 september 1977 ging de klok weer terug. Daarmee was de eerste moderne zomertijd-periode een feit: 175 dagen, een vrij gangbare lengte voor wat zou volgen.
In de eerste twintig jaar varieerden de Nederlandse data licht ten opzichte van die van Duitsland of Frankrijk, al volgden de meeste West-Europese landen vanaf het begin grofweg dezelfde regel: de laatste zondag van maart en september. In 1996 stapte de hele Europese Unie over op een uniform regime: voorjaarsovergang op de laatste zondag van maart, najaarsovergang op de laatste zondag van oktober. Daarmee werd de zomertijd structureel een maand langer, en kreeg het continent een gemeenschappelijke klok. De Nederlandse voorgeschiedenis reikt overigens veel verder terug — tot 1916, toen de zomertijd hier voor het eerst werd ingevoerd, naar Duits voorbeeld.
De wettelijke basis voor de huidige regeling is richtlijn 2000/84/EG, die in 2002 in werking trad en vastlegt dat alle EU-lidstaten op exact dezelfde momenten de klok verzetten. Sindsdien is er geen jaar overgeslagen, ook niet in de crisis-jaren rond Covid, de oorlog in Oekraïne of de Brexit. De data zijn deterministisch: voor elk willekeurig toekomstig jaar valt nu al precies op te zoeken wanneer de overgangen plaatsvinden. Toekomstige data tot 2050.